12 september 2018

Post-lanceringsroes (KONT02, 7 sep 2018)


Dat ik een leven leid waarbij velen zich weinig kunnen voorstellen. Dat ik tevens een leven leid zoals velen zich dat kunnen voorstellen. Dat ik me lang niet altijd bevoorrecht voel in deze hoedanigheid maar dat ik me soms dan weer ineens heel erg bevoorrecht voel: dat ik plots besef dat ik toch werkelijk waanzinnig rijk ben terwijl anderen zich druk maken over het feit dat wat ik doe toch vooral geld kóst. Dat mijn ambitie niet over geld gaat maar over verantwoordelijkheid, rechtvaardigheid, avontuur, diepte, scherpte, context, betrokkenheid, ontvankelijkheid en liefde. Ze gaat over alles behalve angst en daardoor gaat ze juist ook over angst. Noem mij een kunstenaar, noem mij een zot, noem mij een sterke vrouw, noem mij een grapjas. Ik ben geen woorden. Ik ben soms bang, ik twijfel soms paniekerig. Dan sta ik weer op.


Vrijdag 7 september 2018 - verslag

Ik herinner me hoe ik vanzelfsprekend het prachtige eten van Margriet zat te verorberen in de kelder van De Fabriek, rechts van mij Hanneke, links van mij Charles, daarnaast weer andere mensen. Het lukte mij te genieten ondanks wat er te gebeuren stond. Ik voelde me verbonden. Ik herinner me mijn trots: dat er zoveel deelnemers van het tweede nummer van KONT present waren voor het diner. Dat ze met elkaar in de weer leken. Ik herinner me dat ik na het eten mijn lippenstift niet vond, dat ik dan maar zonder opgefriste mond de bouwlamp in het stopcontact op het geïmproviseerde podium stak, de microfoon pakte en begon aan een onrustig praatje. Ik herinner me Annegret en Wessel en hoe fijn het was dat zij mij aanvulden. Ik herinner me Thecla die ik tijdens mijn praatje van op mijn verhoging zag zitten en die mij door haar aanwezigheid eraan herinnerde dat het vooral belangrijk was dat ik contact maakte. Ik herinner me dat Charles me door zijn praatje dat volgde en door zijn stem troostte in mijn onrust en dat hij mij en vooral de hele onderneming die KONT is, aanmoedigde lokaal/regionaal te blijven, op papier te blijven en anti-kunstenaarsego/avontuurlijk/ontvankelijk te blijven. Ik herinner me hoe hij zei dat een website erop gericht is je alles in vijftien seconden te doen snappen en hoe KONT dat juist niet is en dat hij hoopte dat KONT nooit digitaal zou gaan. Ik herinner me dat de microfoon kraakte toen Mark en Sarah met elkaar in dialoog gingen over hoe zij beiden het vormgeven van KONT hadden ervaren.
Ik herinner me daarna een mensenzee. Dat ik mijn handtas wel twee uur lang kwijt meende te zijn en hoe die stresserende gedachte de vele ontmoetingen die ik had, belette aandachtig te zijn. Dat ik mijn oude huisgenootje Ludo ineens boven iedereen zag uitsteken en hoe ik daarvan weer bij mezelf kwam. Dat dj Igmar met zijn veertien jaar totaal geen vreemde eend in de bijt bleek. Dat ik zijn plaatjes lekker en gevarieerd vond, opzwepend. Ik herinner me het handvol jonge tieners die wel hun beentjes strekten. Ik herinner me dat Jan, die ik pas sinds KONT02 ken, aanbood dat ik mijn hoofd even tegen zijn schouder zou rusten – wat ik dankbaar aannam omdat ik pompaf was – en dat je niet altijd alles hoeft te vragen, dat hij dat ook nog zei naar aanleiding van het project waarvoor wij hadden samengewerkt - dat het klonk alsof hij dat veel breder bedoelde. Ik herinner me dat ik de Vlamingen onmisbaar vond deze avond, hoe ik tijdens mijn praatje ernaar verlangde hun gezichten te zien verschijnen, en hoe ik ze in de mensenzee pas daarna tegenkwam, met de voeten op de grond, met hun voor mij – na al die jaren Nederland - nog steeds vertrouwdere lichaamstaal. Ik herinner me mensen die aan me werden voorgesteld. Ik herinner me mensen die nog meer mensen aan me wilden voorstellen en hoe ik er op dat moment voor koos dicht bij mijn boezemvriendin Kristien te gaan staan die meer van mij weet dan je kunt vermoeden. Ik herinner me dat zij uitgelaten was en dat zij anderen deed lachen zoals alleen zij dat kan, zo charmant. Ik herinner me nu ineens ook dat iemand vroeg hoe wij elkaar kenden en dat Kristien daarop antwoordde: “van België” en dat dat mij dan weer deed lachen. Ik herinner me dat ik inwendig vloekend de auto inlaadde aan het eind van het feest, zware dozen met boekjes sjouwend die niet waren verkocht. Ik herinner me het ongeluk op het kruispunt toen ik wegreed, vlak daarvoor gebeurd, dikke glasscherven over het asfalt. Ik herinner me dat ik pas na enkele minuten dacht: als daar maar geen mensen van het feest bij betrokken zijn.

Zaterdag 8 september

De wekker gaat om 7 uur. Ik pak mijn koffer voor twee dagen weg. Nanne belt om acht uur om te laten weten dat zijn wekker niet is afgegaan. Ik moet alleen naar de beurs rijden. Nanne neemt zelf alsnog de trein. Het is saai in Brussel, ik ben moe en heb geen stem, maar gelukkig is er algauw ook Nanne. Nanne die als deelnemer aan KONT02 samen met mij het blad vertegenwoordigt op de beurs en die ’s avonds bijgevolg mee gaat logeren bij mijn vader die daar in de buurt woont. Nanne die bijgevolg in de ochtend naast mij in het zwembad baantjes trekt voor we de tweede dag art book fair aanvatten. Creatieve mensen op een dooie beurs neerzetten, dat is niks, die worden daar opstandig van. 
Na twee dagen Brussel kom ik ver na mijn gebruikelijke etenstijd in Eindhoven aan. Ik scoor friet bij Guilty Pleasures, gelukkig nog open. Maarten appt dat hij ook net die avond friet heeft gehad maar dan in België in het gezelschap van acht muzikanten. Hij en ik hadden elkaar gekruist. Ik bel hem om te vertellen dat ik nog leef. Ik wil slapen. Ik wil zijn ademhaling horen.

Maandag 9 september:

Opstaan en aan het werk togen. Er ligt een deadline voor een subsidie-aanvraag voor KONT03, een zware aanvraag waarbij ik voor de begroting gelukkig al hulp kreeg. Het feit dat ik dat wel allemaal nog even af moet maken en in moet sturen. Tussendoor afspraak bij een andere subsidiënt, om te evalueren hoe het traject met Warren verloopt. Voorafgaand dus ook nog eerst een afspraak met Warren. Daarheen met de trein met 10 stuks KONT in mijn rugzak plus 3 die ik op de terugweg bij een winkel kan achterlaten. Terug thuis weer verder met de aanvraag, in de stilte die volgt op een groot feest en een weekend buitenshuis zijn in constant gezelschap. Gelukkig kan ik ’s avonds nog even naar pingpong, vertrouwde gezichten zien, beetje losschudden. Afgepeigerd naar huis trappen.

Dinsdag 10 september:

Opstaan en besluiten niet te haasten, het lijf dicteert de grenzen. Eindelijk aan de afwas toekomen – na al die dagen veel kopjes, borden en bestek, weinig pannen. Mezelf optutten, even rustig twee keer in de spiegel kijken naar de vrouw met wie ik dit alles beleef. Naar omstandigheden niet klagen. Mijn koffer vullen met stuks KONT02 – als die wielen dat maar houden. De bus nemen naar het station. De trein nemen naar Amsterdam. De nieuwe metro nemen naar Noord. Te voet met de koffer naar winkel nummer één rollen. Daar een ontmoeting hebben met Jildau, die een dame met parallelle interesses blijkt en pas twee maanden een pop-up-winkel in een anti-kraakpand runt die nog ongedefinieerd is en daarmee een verademing in al het esthetische perfectionisme. Vijf stuks KONT achterlaten. Weer naar de metro rollen, op naar zuid. Uit bij Rokin, naar de volgende winkel. Er plezier in scheppen door de stad te rollen met die koffer, van het ene schap vol boeken naar het volgende, ver weg van mijn bureau en de aanvraag die zeurt. Eindigen bij het Stedelijk. Die bevoorraden. Pauzeren buiten aan de entree van het museum, in het park, uitrazend in mijn notaboek zonder iets zinnigs te zeggen. Even later in afwachting rond de entree van het museum ijsberen. Als Leon verschijnt, eindelijk even echt niet meer aan het werk zijn. Me eindelijk dat glas alcohol permitteren waaraan ik op de lancering niet toegekomen was. In het keuvelende gezelschap van Leon weer een ander stuk Amsterdam doorrollen met de koffer. Leon de koffer laten overnemen, Leon ons laten associëren met kabouters, hem mij tot bij het station laten rollen waar onze wegen weer scheiden. 
Te voet vanaf het station in Eindhoven terug naar huis rollen met de koffer. In die afrondende fase van de dag nog onverwacht een gezicht tegenkomen dat ik ken - Aghead blijkt inmiddels twintig. Ik ontmoette hem twee jaar geleden als deelnemer aan een project van me; hij snapte toen niet waarover het ging maar dat hadden we geen obstakel gevonden. Het was vlak na de aanslagen in Brussel. Het was voor hem een excuus om uit het AZC te zijn en voor mij om hem te ontmoeten. Aghead sprak toen geen Nederlands. - Voor het eerst een echt praatje maken met Aghead, in de oranje straatverlichting van de Demer, in het bijzijn van mijn koffer, in het bijzijn van een vriend van Aghead die maar naar huis vertrekt. Vernemen dat Aghead in een horecazaak werkt, vier dagen in de week tot twee uur ’s nachts. Hoe hij een paar uur later dan opstaat om naar school te gaan. Aanschouwen hoe trots hij daar staat en hoe hij zonder zijn schouders te laten zakken aan dat alles toevoegt dat hij het wel een beetje moeilijk heeft vandaag omdat zijn moeder en zus uit Libanon terug naar Syrië moesten en hoe hij daardoor weer nieuwe vluchten voor hen moet zien te regelen. Aan de telefoon kunnen ze hem niet openlijk alles vertellen waardoor hij niet weet hoe het echt met hen gaat. Ondergaan hoe een bedelaar tegen ons in het Nederlands begint en daarna overgaat op het Arabisch. Iets met een zieke moeder en Marokko. Ondergaan hoe Aghead wat munten in de hand van de bedelaar legt en daarna tegen mij zegt: ‘hij gaat er drugs mee kopen.’ Me verbazen over de mate waarin Aghead eruit ziet als een prins, lang en met grote donkere ogen. Het erg leuk vinden dat we nu in het Nederlands kunnen praten, alleen dat. Aghead een soort knuffel geven in het besef dat ik waarschijnlijk even oud ben als zijn moeder. Aghead rechtdoor zien gaan, zelf rechtsaf rollen met mijn koffer. 
Het leven is rijk, zo rijk dat ik het soms zelf niet bij kan houden.  


Vlak voor de lancering van KONT02.                       foto: Niek Tijsse Klaasen


13 maart 2018

De sneeuw in de achtertuin

De sneeuw in de achtertuin is altijd spannender

de sneeuw in de achtertuin
het geschop van het landschap
het raam dat uitgeeft
op de ziel
die op den duur
al of niet met glimlach
zal smelten



19 december 2017

Serge

In je ouder geworden
bruine irissen zie ik nu
terug wat verspreid over
de planeet getuigt van liefde
en geschiedenis
desolaat vestrooide flarden
ik zie hoe
de dag een grap is en
de ontmoeting pure ernst
ik hoor het knetteren van je
innerlijke associaties
en ik vrees de
honger van de boze wolf
ik zoom in en uit en de
stilte kalmeert omdat ze
niet helemaal stil is maar
stommelt.

23 augustus 2017

Strange Fruit

In 2012 bladerde ik door een boek met foto’s dat iemand voor mij uit Arles had meegebracht. Er stond daarin een zwartwit-foto die mij nogal specifiek de adem benam. Ik zag daarop een menigte witte mensen uitgelaten en dicht bij elkaar omheen een boom staan. Ze droegen petten en lachten. Het leken aardige mensen. Een halve meter boven hun hoofden bungelden de tenen van een vrouw. De rest van haar lichaam bungelde daar weer boven aan een touw aan een tak van de boom. Het was een zwarte vrouw in een jurk die geen van die blanke mensen ooit gedragen zou hebben, te veel stof, te ongewassen, en toch vond ik hem stijlvol. Zoveel harde eenzaamheid heb ik zelden ervaren door het kijken naar een foto. Zo hard confronteerden de media mij zelden met het gruwelijke in mezelf als mens. Dat kwam doordat dit beeld heel esthetisch was. Hoe die vrouw daar hing, dat had iets moois, iets elegants haast. Het was een ijzersterke foto. Die mensen onder die boom... blijkbaar diende de dood hen op dat moment tot entertainment. Waarschijnlijk zagen zij die vrouw  oprecht niet als mens, dat moet haast wel als je die gezichten op die foto zag. Ze hadden van haar een dier gemaakt, of een monster. Maar ik, in deze tijd levend, kon het duidelijk zien: het was gewoon een vrouw, een enorm prachtige vrouw. Ik kon daarom niet anders dan iets te doen met dat beeld. Ik wist niet goed wat. Misschien gewoon beginnen met natekenen, dacht ik. Dat was een bevreemdend proces. Ik tekende nooit na maar het leek dit keer de enige manier om te proberen vertalen wat dit beeld aan mij liet zien. De menigte interesseerde me algauw niet meer, de vrouw des te meer. Mijn potlood raakte in haar schoonheid verstrikt en gaf haar uiteindelijk vleugels. Toen viel mijn oog op een in diezelfde tijd door mij bedachte zin die op mijn tafel slingerde. Hij leek er op de een of andere manier vanzelf in te schuiven: ‘a silk skirt forever in the sky’. Ik schreef die woorden onder haar lichaam. Toen gomde ik ze weer weg. Voor altijd in de lucht.
Dit werk hangt momenteel in mijn solotentoonstelling ‘Kanikweg’ in Ninove, België. Dit weekend was ik daar zelf bij aanwezig. Allerlei mensen kwamen langs en zeiden oprechte dingen die ik in mijn hoofd noteerde. Dit werk zorgde vaak voor wat ongemak. Maar met één man - lichtblauwe trui, net hemd, vijfenzestig of zo, ik zou hem nooit aangesproken hebben op straat -  had ik het er in alle puurheid over. Hij zei dat kunst hem toch liefst een beetje verlichtte en na wat verder struinen door elkaars gedachten, vroeg hij me of ik ‘Strange Fruit’ van Billie Holiday kende, naar aanleiding van deze tekening. Vanaf nu is dat haar titel.

Strange Fruit, potlood op papier, A3, 2012 (foto: Bas Wilders)

 

De tentoonstelling 'Kanikweg' loopt nog tm 3 september 2017:
Oud Stadhuis, Oudstrijdersplein 6, Ninove, BE. 
Open maandag - vrijdag: 9-12u, donderdag ook: 16-19u30 en zaterdag 2 en zondag 3 september van 14 tot 17u.

20 november 2016