
Avondlijk
tegen de boom zonnend,
de kat in het gras sponnend:
even helemaal niets
aan de hand.
De tijd viel stil in de tent
op het land.
Schurende stieren die tussen
hun tralies de jeukende nek
vierden, hielden ons nog even op
en dan werd het heilig wat
aan het Cathalijnepad.
De Dommel kronkelde algauw
in een diepe nachtelijke kou
tot exotische kelen multistereƫel
de dag inluidden als een
licht euforisch begin.
De stad is niets hier tegenin.
(GM)
