19 september 2015

Buitenlichamelijke ervaring

Ik sta in een kamer in een appartement waar ik al jaren kom. Iemand heeft besloten hier alle elementen te vernieuwen. Een helder geheel is het laatste waaraan je moet denken. Het is een chaos van jewelste, alle kleuren en vormen staan door elkaar, ik kan me niet langer voorstellen hoe diep ruimtes zijn, waar ik wat terugvind en of ik hier nog welkom ben. Er steekt geen logica meer achter de inrichting van de vertrekken. Alles heeft een radicaal nieuwe plek gekregen, alsof de hele ingreep daarom te doen was. De kleuren zijn lichtblauw, lichtgroen, zacht oranje en wit. Het lijkt alsof de lampen, die natuurlijk ook onfunctioneel zijn ge├»nstalleerd, stuk voor stuk een andere kleurtemperatuur hebben. Ik kan me niet ori├źnteren, er zijn geen stoelen of badkamerspullen die ik herken. Alleen het balkon klopt, dat kleine plekje aan het eind van de woonkamer dat uitgeeft op de buitenlucht. Ik moet alleen eerst een heel labyrinth door om daar te geraken, onmogelijk. Het uitzicht is grijs. Ik leg mezelf uit dat ik moet wennen.
Er bellen drie mensen aan, twee vrouwen en een man. Ik ken ze niet, ik wist niet dat zij zouden komen. Het blijken gasten van mijn vriend die straks ergens naartoe gaan. Zij beschouwen hun aanwezigheid meteen als vanzelfsprekend, alsof ze vaker zijn geweest. Ze hebben helaas geen haast om naar hun evenement toe te gaan, ze willen eerst wat relaxen. Ik probeer hopeloos een territorium in plaats of tijd af te bakenen waarbinnen ik hen niet hoef toe te laten. Wanneer ik in paniek naar mijn kamer wil vluchten, waarvoor ik de smalle gang door moet, loop ik, op de plek waar de hal in de gang overgaat, tegen een half afgewerkte kunstinstallatie aan, die bestaat uit transparant plastic zeil dat slordig over de volle breedte van de vloer en muur is gedrapeerd met tape en witte verf die wanneer ik het ding voorzichtig probeer op te tillen, nog nat blijkt te zijn en aan mijn vingers kleeft. Een van de gasten heeft deze sluis kennelijk meteen geconfisceerd voor haar artistieke activiteiten. Ik kan niet door. Ik wil geen vijanden, wat moet ik doen. Ik roep instinctief: “Is het acryl?” Een onduidelijk antwoord. Nog eens en luider, en licht hysterisch: “Acryl?” Weer enkel een murmelende meisjesstem van op het balkon ver weg. Ik roep nu hard: “Ik wil geen acryl in dit huis!!” Ik ben bang dat alles straks onder zit en dat ik de sporen niet meer kan wissen. Dat zou het einde der tijden betekenen. Als ik eindelijk in mijn kamer ben en de deur achter mij heb dichtgegooid, krijg ik geen seconde respijt want daar staat mezelf voor me. Wat een griezelige ernstige blik! Help! Dit kan toch niet? Ik zie geen spiegelranden. De ik die daar voor mij staat, heeft een paar vlekjes aan de rand van haar kaak die lijken op geboortevlekken. Ik begrijp het niet. Ik reken erop dat wanneer ik mijn vinger richting die andere uitsteek, die zal oplossen in lucht. Dat gebeurt niet, ik raak dat lichaam gewoon aan. Ik implodeer van angst. Twee tastbare ikken in dezelfde ruimte? Ik kijk mezelf recht in de ogen, mijn zelf waarvan ik vlees en vel zonet heb aangeraakt. Ik zie er niet levend uit. Dat lichaam beweegt en praat net als ik, maar het heeft een vale tint. Ik wil ontsnappen, ik wil niet dood, ik draai me om, maar zie ook daar weer mezelf lopen, als een schaduw van echte botten en bloed. Een schaduw die meteen weer zijn blik op mij richt en die onontkoombaar is. Het wordt te angstaanjagend. Ik zit in de tang. Ik knijp mezelf eruit.